62.
Zij bloost en lacht, en door het rozenwaas
Van blosjens, wordt het lachjen dubbel teder;
Het purper gloeit door 't luchtig lokkengaas;
Nu waagt ze een blik, dan slaat zij de oogjens neder;
Zij spreekt - hoe zoet de Eöolsche harp weêrkaats',
Geen snaarklank geeft den klank dier woorden weder -
‘Heil!’ zingt ze, ‘heil, gij Tweetal, wie het lot
Hierheen voert tot een waereld van genot!