24.
Intusschen werd zij zwanger; en ziedaar!
Een sneeuwwit kind werd uit haar schoot geboren.
Dat kind - waart gij! ... Hoe kromp zij in elkaâr
Van schrik! Zij waande u en zich-zelf verloren:
Zou niet Senaap, argwanende Barbaar,
Haar dooden in de hitte van zijn toren?
Zou hem uw blankte - o snerpende angst! o rouw! -
Geen smet zijn op haar smetteloze trouw?