45.
Toch moogt ge bij de middagzon van heden
Nog wandlen tot beneên den berg. Gegroet!’ -
Nu scheiden zij met vroome zegenbeden,
En 't Ridderpaar gaat voort met vasten moed.
De strandweg is niet moeilijk te betreden,
Geloof en hoop bevleugelen hun voet;
Hoog rollen nog de gouden zonneraadren,
Als beide reeds het berggevaarte naadren.