99.
Maar hij ontwaart, hoe, machtloos weggedreven,
Zijn Heidenvolk voor Reinouts blikken vliedt.
‘Wat zal ik doen?’ zoo dubt hij; ‘laat ik 't leven
Op deze plek, het baat mijn vrienden niet.
'k Breng elders hulp! ...’ Hij heeft de brug begeven -
Buljon, wien niets den toegang meer verbiedt,
Volgt dreigend na, en doet voor 't oog der dappren
Hoog van den muur het Christenvendel wappren.