14.
‘Mijn Leger! gij, der Christnen toeverlaat,
Der Heidnen schrik! Gelederen des Heeren!
Zietdaar dan nu den blijden dageraad,
Zoolang gewenscht met innig zielsbegeeren!
Niet doelloos bracht Gods eeuwig wijze raad
Die volkren saam', die roekloos rebelleeren!
Veel strijds moet hier met éénen slag volstreên:
Dies zond Hij al uw haatren hier bijeen.