48.
Zij heft den geelgeschubden kop, en lekt
Met spitsche tong den muil. Heur adem ronkelt
En rookt van gif. Nú vreeslijk uitgerekt,
Dán saamgerold, sleept ze op den buik, en kronkelt
Den staart, die heel den breeden weg bedekt,
Terwijl heur oog van dolle wraakzucht vonkelt.
Hoe gruwzaam ook die wachteresse zij,
Het Ridderpaar veracht heur razernij.