85.
‘Voort!’ roept hij, ‘voort! de kostlijke uren jagen!
Gij wordt gewacht door Godfried, door heel 't heir.
Komt! gaan wij! Eer de nieuwe Auroor zal dagen,
Ziet gij het kamp, ziet gij uw krijgstent weêr!’
Zoo spreekt hij, en beklimt terstond zijn wagen;
De Riddertrits zet aan zijn zij' zich neêr:
Hij viert zijn span de wapperende teuglen,
En rent naar 't Oost op ongeziene vleuglen.