86.
Reeds waren ze in een stil en eenzaam oord,
De laatste tent was niet meer te onderscheiden:
‘Nu,’ spreekt Vafrijn, ‘ontdek mij, naar uw woord
Wat netten zij mijn vroomen Veldheer spreiden!’
Daar maalt zij hem den schandelijken moord,
Die dreigend broedt in 't harte van den Heiden:
‘Acht krijgers, aan wier spits valsche Ormond staat,
Zijn saamgezworen tot de gruweldaad.