52.
Waar 't koud Verstand de vlammen van de Min
Heeft uitgedoofd, baat geen sirenenzingen:
De Deernis slechts, haar kuischer gezellin,
Kan in haar plaats den boezem binnendringen.
Heel Reinouts hart neemt zij verteedrende in,
Zoo dat hij naauw zijn tranen kan bedwingen.
Toch blijft hij meester van zijn zielsgevoel,
En, diep geroerd, schijnt hij uitwendig koel.