89.
Terwijl hij aan de stoutste Saracenen
De schaamte koelt die in zijn boezem woedt,
Daar ziet hij Koning Aladijn, rent henen,
En valt hem aan met onbetembren moed,
Verwondt zijn kop, stort dicht als hagelsteenen
Zijn slagen neêr, en wijkt geen enklen voet.
De dwingland valt en wentelt nu zijn leden
Langs d' eigen grond, weleer zoo trotsch vertreden.