41.
Maar spoedig wijkt de nevel uit heur oogen.
‘“Ik,”’ spreekt ze, ‘“blijf volharden bij den leer,
Reeds met de melk der voedster ingezogen:
Gij gaat vergeefs uw eigen werk te keer!
Een edel hart wordt door geen vrees bewogen;
Ik leg mijn hoop niet af, mijn zwaard niet neêr,
Al zou dan ook in al zijn gruwzaamheden
De bleeke dood mij brullend tegentreden!”’ -