29.
Elk leger schijnt een mastbosch van abeelen,
Zoo dreigend gaan de lansen naar omhoog.
De slingers rollen uit, de vingers streelen
Den greep van 't zwaard, of spannen reeds den boog.
Elk ros schijnt in des ruiters vuur te deelen,
Het steigert, briescht, en bliksemt met het oog;
Zijn hoefslag doet den dorren bodem stuiven,
Daar rook en vonken uit zijn neusgat snuiven!