42.
De Ridder staat; en na een korte poos,
Haalt zij hem in met nokkend boezemhijgen.
Heur wangen dekt het leliewit des doods,
Toch doet de smart te meer heur schoonheid stijgen.
Zij blikt hem tot in 't hart, maar sprakeloos,
't Zij Toorn of List of Vreeze haar doet zwijgen.
Hij-zelf blikt haar niet aan: of zoo hij 't waagt,
't Is zijdelings, verlegen en gejaagd.