19.
Nog draalde Auroor ten golven uit te stijgen,
En langzaam slechts verschoot de starrenrei;
Geen ploegschaar deed den sluimrende' akker hijgen,
Geen herder dreef zijn lammren in de weî;
De vogel droomde in 't schommlend groen der twijgen.
Nog niet gestoord door 's jagers veldgeschrei: -
Daar roept de krijgstrompet al de oorlogsknapen
Te wapen; en de Hemel dreunt: ‘Te wapen!’