63.
Gij dwazen! hoe versmaadt gij dus de weelden
Der zoete lent', die eerste en kortste vreugd?
't Zijn klanken slechts en zielloze afgodsbeelden,
Wat de aarde aanbidt als moed en heldendeugd.
Hoe lieflijk ook heur fluisterstemmen streelden,
De Glorie biedt geen zweemsel van geneucht:
Een echo is ze, een schaaûw eens drooms, bewogen
Met elken wind en sporeloos vervlogen!