61.
Nu windt ze op eens de saamgesnoerde lokken
Met schuchtre hand uit knoop en kronkel los:
Nu sluieren de weelderige lokken
De ivoren leên in gouden manteldosch.
Wat schoonheên zijn aldus aan 't oog onttrokken!
Toch schijnt ze ook zóó het beeldhouwwerk eens Gods,
In 't golvend hair en 't water half verborgen,
En schaamrood als de maagdelijke morgen.