32.
Vorst Tankred keert terwijl van de uitvaart weêr:
Hij ziet nog steeds Klorindes grafkuil gapen;
Bleek, wanklend, schijnt de lijder nog te teêr
Voor d' oorlogshoed en 't wichtig krijgsmanswapen.
Daar hoort hij wat er omgaat in het heir,
En eensklaps drukt de stalen helm zijn slapen;
Zijn heldenhart, dat nood en dood veracht,
Bezielt zijn leên met nieuwherboren kracht.