71.
Reeds scheurt zijn ziel in troosteloze ellende
De kluisters, die haar bonden, van elkaâr,
Gereed om haar die zich ten Hemel wendde,
Te volgen op 't ontplooide vleuglenpaar.
Maar plotsling, ziet! daar naakt een Christenbende:
Zij draagt het lijk der Jonkvrouw, en met haar
Den Ridder weg, wiens leven niet dan noode
Meer aêmt, reeds dood in de onvergeetbre doode.