21.
De minnares is op heur macht hoovaardig;
De minnaar, op zijn zoete slavernij.
‘Ach!’ zucht hij, ‘wend die blikken, zoo zachtaardig,
Zoo zaligend, mijn Engel! wend ze op mij!
Die spiegel is zoo hoog een gunst onwaardig:
Hij biedt een flaauwe, ontrouwe schilderij.
Mijn oog, mijn hart, zoo trouw, zoo warm, zoo teder,
Kaatst heel uw beeld en al uw wondren weder!