64.
‘Och!’ wenscht zij, ‘of de scherpgepunte schicht
Toch wederkeerde, om mij door 't hart te boren!’
Vermag de Min zóóveel reeds waar zij zwicht,
Wat dan, waar haar de zege werd beschoren?
Maar zij verwerpt, daar zij zich-zelf beticht,
Den laffen wensch en blaakt op nieuw van toren.
Zoo ducht ze en zoo begeert zij, dat heur boog
Niet faalde, en volgt den pijl met starend oog.