76.
Gelijk somtijds, na langen zomergloed,
Als eindelijk de frissche regen klatert,
Een eendenzwerm, ten blijden welkomstgroet,
Rondom den rand des droogen vijvers snatert,
En klapwiekt onder 't wassen van den vloed,
En drinkt en plascht en onderduikt en schatert,
En zwelgt in al de koele heerlijkheid
Van 't kristallijn, hun weken lang ontzeid: