125.
Wil ik uw vroeger lafheid u vergeven,
Zijt nu dan sterk en scherp, en treft mijn hart!
Wee mij, zijt gij mijn laatste troost in 't leven,
Dat mij sints lang een langzaam sterven werd?
Ja, gij-alleen zijt mij tot hulp verbleven:
Uw smart, o pijl! verdrijft mijn minnesmart;
Mijn wonde wordt door wonden slechts genezen,
De slag des doods zal mijn herstelling wezen! ....