114.
Hij vraagt: ‘Vafrijn, hoe kwaamt gij hier? wanneer?
En wie zijt gij, teêrhartigste aller schoonen?’
Zij zucht, van hoop en twijfel evenzeer,
En 't roosje' ontluikt op heur albasten koonen.
‘Geduld!’ herneemt ze: ‘Uw arts, o edel Heer,
Gebiedt u rust. Vergeet niet mij te loonen,
Wanneer ik u ontvoerd heb aan den dood!’
Zoo spreekt ze, en sust zijn hoofd in haren schoot.