45.
En onder duizend zwaarden, duizend schichten,
Volbrengen zij de ontzachelijke daad.
Ze ontsteken met de welbewaarde lichten
De taaie harst, die fluks in vlammen staat,
Waarvoor weldra het knappend hout moet zwichten.
Wie maalt dien gloed van donker inkarnaat,
Die doorbreekt, wast, aan alle zijden flonkert?
Wie schetst dien walm, die 't starrenlicht verdonkert?