13.
Maar hoe daar ginds die woeste kreeten snerpen,
Het Christenvolk zingt even vurig voort:
Zóó tokkelen de Cherubim hun harpen,
Al wordt de spot der duivelen gehoord!
Wat pijlen ook de Heidnen nederwerpen,
Der Helden sabbatsrust wordt niet gestoord:
Ver buiten 't schot, door 's Hemels schild omvangen,
Voleinden zij hun vrome lofgezangen.