25.
Verliefde spijt en droeve minneklachtjens,
Verlegen schaamte en tergende overmoed,
Bezielde fluisterwoordtjens, traantjens, lachjens,
Omhelzingen en kusjens, hemelzoet,
Dit al wist zij te mengelen en zachtjens
Te smelten bij een zilvren fakkelgloed.
Uit zulk een stof, nog nimmer uitgevonden,
Spon zij den riem, om 't slanke lijf gewonden.