7.
‘Hoort! hoort, o gij, die uit uw starrenbanen
Gebliksemd zijt en nog de wonden draagt!
Bestuurders gij van donders en orkanen,
Die eeuwig door de wijde ruimte jaagt!
En Geestenschaar, die in het Rijk der tranen
De bleeke schimmen der verloornen plaagt!
Gij burgers van d' Avernus! en gij Koning
Van 't helsche vuur! U daag ik uit uw woning!