4.
De Grijzert schaart, bij d' eersten dageraad,
Bij 't tweetal ook de mindre Priestrenreien,
Op d' eigen plek waar 't heilig outer staat,
Behangen met fluweel en palmenmeien.
Zij blinken alle in 't sneeuwwit plechtgewaad;
En de Opperherders, die den stoet geleîen,
Siert bovendien, in rijken kleurengloed,
De stool, de kromstaf, en de bisschopshoed.