72.
Niet krachtloos zijn die warme smeekgebeên,
Ontsprongen uit een needrig zielsbegeeren.
Zij vliegen naar den hoogen hemel heen,
Als duiven op haar zilverwitte veêren.
God neemt hen aan: reeds blikt Hij naar beneên,
En ziet Zijn volk in bangen nood verkeeren:
Daar smelt Zijn hart van Vaderteederheid,
En dus weêrklinkt de stem der Majesteit: