57.
De nacht ook kan geen blijde schaduw geven:
De hette drong tot in heur mantel door.
Haar sluier is van streepen vuurs doorweven,
Gefranjed met komeet en meteoor.
Rampzalige aard! al smachten veld en dreven,
De vrekke maan geeft langer geen gehoor:
Ook zij onthoudt haar balsemvolle droppen
Aan 't hijgend kruid, aan de uitgeteerde knoppen.