97.
Geen doode, neen! wordt door uw kluis omvangen,
Maar levende asch, waarbij de liefde waakt.
Ik voel te zeer, hoe 't langgekweekt verlangen
Wel minder zoet, niet minder sterk mij blaakt.
Neem gij den stroom, die biggelt van mijn wangen,
De zuchten, die mijn volle boezem slaakt,
De kussen, die ik druk op uw gesteente;
En och, stort ze uit op 't dierbare gebeente!