66.
‘Is dan die man ontrefbaar?’ roept zij uit:
‘Zoodat hij spot met elk vijandlijk pogen?
't Is marmer wat zijn ijskoud hart omsluit:
Zijn ook zijn leên met marmer overtogen?
Geen pijl, hoe scherp, die niet wordt afgestuit,
't Zij met de hand geschoten of met de oogen!
'k Buk, weêrloos en gewapend, voor zijn macht,
Als minnares en vijandin veracht!