59.
Die gang, die blik - alle aarzling is geweken:
Ons Tweetal heeft den wijzen vriend herkend!
Hij drukt de hand, die hij zich toe ziet steken,
En voert hen naar de wijde bladertent.
Nu haast hij zich den jongling toe te spreken,
Die, zwijgend, nog geen oog heeft afgewend.
‘Naar u-alleen,’ begint hij, ‘was mijn wachten,
O edel Heer! in de eenzaamheid der nachten.