18.
Maar midden in dien wilden worstelstrijd
Stort plotseling het slingrend paar ter aarde;
De Heiden voelt zijn rechterarm bevrijd,
't Zij hem de Kunst of 't goed Geluk bewaarde.
Maar 's Ridders arm wordt, tot zijn fellen spijt,
Door 't lijf bekneld. Daar huivert de onvervaarde
Van ongeduld, scheurt met een ruk zich los,
Springt op, en staat, in vollen wapendosch.