107.
Maar hoe! kan 't zijn? Nog stort ge een zoet verrukken
Mijn boezem in, gij, met uw bloed gedoopt!
Omzweeft me uw geest? Ziet gij mij nederbukken?
Vergeef mij dan 't verlangen, dat mij sloopt!
'k Wil kussen van uw bleeke lippen plukken:
Hoe kil! Ach, 'k had ze warmer eens gehoopt!
Toch gaan ze ook nu, hoe koud, al 't zoet te boven,
Daar zij den dood iets van zijn buit ontrooven.