38.
Door honderd handen wordt terwijl omhoog
Een rotsklomp aangerold en neêrgestoten.
Hij dondert op 't metalen dak, als vloog
Een Atlas neêr. Hoe dicht inéén gesloten,
De schilden wijken. 't Draait voor menig oog,
En menig hoofd voelt pijnlijk zich ontblooten.
Hoe wemelt de aard, waar 't bloed bij golven bruischt,
Van wapens en gebeent', tot stof vergruisd!