66.
Mijn schoonheid valt den heldenzoon ten deel,
Die mij op 't hoofd des vluchtlings zal onthalen!
O mijn roemruchte aanbidders! eisch ik veel,
Te hooger ook zal dan de lauwer stralen.
Mijn schoot, mijn goud, mijn vorstlijk lustkasteel,
Zietdaar waar ik mijn wraak meê zal betalen!
Als niemant mij begeert voor zulk een loon,
Wat dan, Natuur! baat mij uw nutloos schoon?