82.
Twee maanden lang, te ras, helaas! vergaan,
Leefde ik daar ginds in Tankreds zijden boeien:
Gij waart een goede wachter. Zie mij aan,
Ik ben het wel, ik-zelf! ....”’ Heur tranen vloeien.
Nu kent hij haar. Hoe menig zoeten traan
Heeft hij die lieve wangen zien besproeien!
‘“Geloof me,”’ gaat zij voort, ‘“'k misleid u niet,
'k Bezweer het bij den Hemel die ons ziet!