59.
Den Ridders, die het schouwspel nader treden,
Ontroert het hart. De nymfen vluchten niet,
Maar spelen voort, vol schalke aanvalligheden,
Zoo vrij als of geen stervling haar bespiedt.
Daar heft er een de poezle maagdenleden
Tot aan den vollen boezem uit den vliet:
Het waterfloers, door 't windtjen zacht bewogen,
Onttrekt slechts half het oovrig schoon aan de oogen.