44.
Daar zie ik dan de wolken aan mijn voet,
Nu donker, dan getint door Iris' kleuren.
Ik zie 't ontstaan van daauw of regenvloed,
Ik zie den wind zich van zijn slaapkoets beuren,
En wisslen; 'k zie den blaauwen bliksemgloed
Ontvlammen en den nevelsluier scheuren.
Zoo dicht nabij de heerlijkheden Gods
Verhief ik me eens in opgeblazen trots.