53.
Maar sneeuw en ijs en klippen zijn doorstreden:
Zij staan omhoog. Daar blaauwt de reinste lucht,
Daar bloeit een vlakte, een zielverrukkend Eden,
Doorwaassemd met een adem van genucht,
Een gloed van liefde, een geur van lieflijkheden,
Voortzwevende op het zuiderwindgezucht,
Dat, hoe de loop der vluchtige uren wisselt,
Nooit sluimerziek, op laauwe wiekjens ritselt.