56.
Zij zet terstond de Ridders uit aan 't strand.
Een kort ‘Vaarwel!’, en - ze is hun blik ontvlogen.
De nacht terwijl heeft zee en vaste-land
En kleur en vorm met rouwfloers overtogen.
De pelgrims staan alleen in 't dorre zand:
Geen muur, geen dak, treft heinde of ver hunne oogen.
Geen wolkjen rooks, geen menschelijk gelaat,
Geen spoor, dat hun een veilig pad verraadt!