51.
Ellendige, ach! ik bouw nog op 't vermogen
Van schoonheid, die bedroog gelijk een droom? ...’
Zij kan niet meer: daar barsten uit heur oogen
De tranen in een onweêrhoudbren stroom.
Daar grijpt zij, als een smeekeling gebogen,
Al bevend naar zijn hand, zijn mantelzoom -
Hij wijkt, hij houdt - wèl die zich-zelv' verwinnen! -
De Liefde buiten en zijn tranen binnen.