66.
Maar als ze op hem de wilde blikken slaat,
Als zij hem zacht en kalm ziet ademhalen,
Als zij de roos ziet bloeien op 't gelaat,
En de oogen door de wimpers heen voelt stralen,
Daar aarzelt zij, daar dooft op eens de haat.
Zij weet niet wat haar beven doet en dralen;
Maar buigt zich neêr, en staart hem aan, verrukt,
Narcis gelijk, bij 't spiegelbeeld gebukt.