102.
‘Naauw merkte ik, dat de moedige Amazoon
Nog buiten was, daar gaf mij de eerzucht sporen:
'k Zou van haar zij' bij levenden of doôn
Niet wijken - 'k had dien duren eed gezworen! -
De poort was dicht: ik bad voor 's Konings throon
Haar te oopnen; maar geen Koning wilde hooren.
Ik bad vergeefs - ik vond geen medelij':
'k Moest bukken voor zijne opperheerschappij.