42.
Één dezer toont aan 't onbezochte strand
Een inham, door twee armen ingesloten,
Een haven, door Natuur met eigen hand
Daar uitgehoold. De witte baren stoten
En breken op den hoogen steenrotswand.
Twee klippen, als uit ééne vorm gegoten,
Staan rechts en links en wijzen 't zeker punt,
Waar 't schippersvolk het ankren is vergund.