39.
'k Lag gistren nog in diepen slaap gezegen;
Daar rees op nieuw dezelfde droomgestalt':
Maar dreigend blonk zijn vlammend oog mij tegen;
Zijn stem was dof, gelijk een donder knalt:
“Weet, booswicht! dat Klorindes laatste wegen
Ten einde zijn: haar graauwe doodsnacht valt.
Toch zal zij mij voor eeuwig toebehooren,
Der Hel ten spijt: maar beef! U wacht Gods toren!”