91.
Pas slaapt hij, als, van 't starrenkleed omtogen,
De welbeminde op eenmaal vóór hem staat,
Verengeld, met de heerlijkheid in de oogen,
Maar toch dezelfde in houding en gelaat.
Daar lispelt zij, terwijl ze uit mededogen
Zijn tranen wischt: ‘Ai, zie wat dageraad
Van vrede en vreugd uw dierbare is verrezen!
Ik juich; mijn vriend! zoudt gij dan treurig wezen?