11.
De pelgrims scherpen de oogen, en herkennen
Een tentenreeks, aan d' oeverzoom geplant.
Voetknechten staan in 't wapen, ruiters rennen
Nú naar de stad, dán van de stad naar 't strand.
Geduldig laat de lastkameel zich mennen,
Gehoorzaam zwoegt de snuivende elefant;
De weg is van den paardenhoef doorgraven,
En duizend schepen weemlen in de haven.