28.
Onmooglijk! 't is of elke pees ontspant
En krachtloos wordt. Zijn wankle knieën manen
Om rust. Hij schraagt het voorhoofd met de hand,
En siddert als een riethalm in de orkanen.
Heel de aard beweegt, als sprong zij uit haar band,
De hemel draait, de middagglansen tanen.
Hij zijgt in één: zoo wordt het ongewis
Wie hier verwinnaar of verwonnene is.